De ontwikkeling van de zintuigen

“Het menselijk wezen neemt zijn omgevingen waar door middel van zijn handen. Ze zijn de middelen van zijn intelligentie. Zijn handen zijn creatief, ze kunnen dingen produceren. De zintuiglijke organen en het coördinatievermogen ontwikkelen zich door middel van handmatige activiteiten.” 

Maria Montessori

Het ontwikkelen van de zintuigen

Montessori materiaal wordt ingezet op handelend en zelfstandig leren. Dat hierbij de zintuigen en met name de handen een zeer belangrijke rol spelen is inmiddels wetenschappelijk bewezen. Het kind wordt vanuit zichzelf gemotiveerd om zich te ontwikkelen en om te leren. Dat uit zich in een spontane belangstelling van kinderen. De onderwerpen van die belangstelling verschillen per kind en veranderen in de loop van de tijd. Dit betekent dat kinderen kortere of langere perioden ontvankelijk zijn voor bepaalde leergebieden.
Als het kind zich in zo’n “gevoelige periode” bevindt, is het in staat op dat moment een functie zeer intensief te ontwikkelen. Het is de taak en de deskundigheid van de leerkracht om op deze gevoelige perioden adequaat te reageren, door het juiste materiaal in de juiste omgeving aan te bieden. Een kenmerk van montessorimateriaal is dat het kind zelf fouten kan herstellen doordat het zo is ontworpen dat het kind zelf merkt dat het iets niet goed doet. Daarnaast is het materiaal zo ontworpen dat steeds één eigenschap centraal staat. Als het om bijvoorbeeld optellen gaat, speelt niet ook nog een andere vaardigheid een rol.

Voorbeelden van zintuiglijk materiaal
Cilinderblokken stimuleren de waarneming op het gebied van afmetingsverschillen als groot – klein, hoog – laag, dik – dun. Ze bieden tevens een voorbereiding voor het schrijven door training van de grijpspieren van de vingers. Met de gekleurde cilinders leren kinderen niet alleen overeenkomsten en verschillen waarnemen. Zonder steun van cilinderblokken krijgen ze ook inzicht in verhoudingen door vergelijken en combineren van reeksen.
De roze toren bestaat uit een serie van tien massieve roze kubussen, van de kleinste kubus van 1 x 1 cm oplopend tot de grootste kubus van 10 x 10 cm. Het jongste kind bouwt de toren op en breekt hem weer af, het iets oudere kind ontdekt variaties in de opbouw van de reeks, doet geheugen- en individuele spelletjes en krijgt de namen aangeboden van datgene wat hij zintuiglijk heeft ervaren: klein – groot, kleiner – kleinst, groter – grootst.
De rode stokken helpen het kind verschillen in lengte te onderscheiden. Er zijn tien rode houten stokken: de langste stok is een meter lang en de lengte neemt af tot de kortste stok van een decimeter. Door het werken met de stokken ontwikkelt het kind ook de motoriek van het gehele lichaam, het beseffen van reeksen en mathematische begrippen; de stokken vormen namelijk een voorbereiding voor de rekenstokken en zijn tevens een inleiding tot het metrieke stelsel.